Waar zijn de stotterende advocaten, dokters, journalisten en leraren? Dat bleven vaak kinderdromen, ontmoedigd door ‘beschermende’ volwassenen. Zonde. Laat ons toch gewoon stotteren, ook in praatfuncties.
Door Steven de Jong (steven@stotterbond.nl)
Donderdag 22 oktober is het Wereldstotterdag. Eén dag in het jaar om aandacht te vragen voor deze spraakvariatie. Ja, ik praat anders dan anderen: hortend en stotend, soms een zin vloeiend en dan opeens een vastloper. Zeker bij eerste contacten roept dit reacties op. Doorgaans best oké en soms grappig (‘Mag ik een klinker kopen?’ – zoals in de spelshow Rad van Fortuin), maar regelmatig behoorlijk afwijzend. Stotteren kan gelukkig ook het ijs breken, waardoor anderen meer ontspannen zijn over hun eigen variaties in lichaam en geest.
Of het een handicap is? Ja, stotteren voldoet aan de definitie in het VN Verdrag Handicap. Stotteren mag niet zomaar als afwijzingsgrond aangevoerd worden in sollicitaties. Eigenlijk heb ik liever dat stotteren geen handicap is, maar daarvoor is de goede wil van vloeiendsprekers nodig. Werkgevers die beslissen of mensen zoals ik stotterend een klant te woord mogen staan. Collega’s die ruimte voor mij maken om mee te vergaderen. Buren die zich over hun ongemak heen zetten om een praatje te maken. Bij vrienden is het stotteren geen issue. Die weten niet anders dan dat ik stotter en dan is het er eigenlijk niet. Dat soms in letterlijke zin: ik stotter bij hen veel minder. Bij mijn vrouw en kinderen niet of nauwelijks.
Geen angststoornis
Het is begrijpelijk dat mensen hieruit concluderen dat stotteren een soort angststoornis is. Of zelfs een neurose, zoals psychologen vroeger beweerden. Ik pleit voor het tegendeel. Wie zich stotterend manifesteert, is qua spreken juist dapper. Wij (personen die stotteren) moeten immers niet alleen dealen met de reactie op de inhoud van onze woorden, maar ook op de vorm. Een vorm waarover wij minder controle hebben. Hoe dat voelt, kunt u thuis of op het werk uitproberen: als er een onbekend nummer belt, ga dan eens expres stotteren. Maar wat als u een belangrijk telefoontje verwacht? Ja, juist dan! Welkom in onze wereld…
Om te ervaren wat stotteren is, zou u ook een korte spreekbeurt kunnen houden. Niet op een vaste vloer, maar op een trampoline met ook andere springers erop. Hoe hoger zij springen, hoe lastiger het voor u wordt om de woorden er vloeiend uit te krijgen. Stotteren is dus geen angststoornis, onze spraak is gewoon wat sneller ontregeld door invloeden van buitenaf (bewegende vloer) en van binnenuit (normale verschijnselen zoals moeheid). Het is neurofysiologisch. Praten is voor mij een balanceer-oefening. Alle seinen moeten op groen staan om vloeiend spreken. Dat heeft overigens meer met ‘flow’ dan met controle te maken. Hoe meer ik mijn best doe om vloeiend te spreken, hoe meer ik stotter.
Ik stotter niet omdat ik psychisch zou afwijken. Ik stotter omdat mijn spraak sneller ontregeld is. Het zit in de bedrading. Zoals de ene radio gevoeliger is voor invloeden van buitenaf (obstakels in de buurt, het weer, etc) dan de andere. Dat betekent niet dat de radio psychisch instabiel is, maar dat de bandbreedte voor vloeiend geluid heel smal kan zijn. Binnen de stottergemeenschap is er een enorme variatie in ‘bandbreedte voor vloeiende spraak’.
Diepe sporen
Dat gezegd hebbende, is het natuurlijk wel zo dat opgroeien met stotteren diepe sporen kan trekken in een leven. Denk aan pesten, afgewezen worden en al die andere interacties waarin er van alles gebeurt in het hoofd van de toehoorder. Dat beïnvloedt onze uitingsvrijheid en dus onze kansen: in relaties, op het werk, overal eigenlijk. Veel mensen die stotteren redden zich overigens prima, en zullen het stotteren nergens de schuld van geven, maar nuchter beschouwd worden wij bewust of onbewust afgerekend op de manier waarop wij praten.
Wat moet ik bijvoorbeeld vinden van de ambtenaar die dit zei toen ik mij voorstelde: “Nou, potverdorie, je zal er wel van balen dat je papa en mama je zo’n moeilijke naam hebben gegeven.” Ze stampte ook nog theatraal op de vloer. Dit overkwam mij eerder dit jaar, toen ik mijn kantoor openstelde voor ambtenaren als vergaderlocatie. Het is niet fijn om als hoogopgeleide volwassen man van 45 jaar – in een zakelijke context – zo kleinerend bejegend te worden. Maar in het moment zelf kan ik er moeilijk boos over worden. Dan probeer ik het gesprek te redden, mijn waardigheid te redden.
Het lastige is hier dat de bedoelingen vaak helemaal niet verkeerd zijn, maar de uitwerking is dat wel. De afgelopen jaren heb ik met mijn internetplatform De Stotterbond voortdurend aandacht gevraagd voor ‘het recht om te stotteren’. Onder druk van docenten, werkgevers en ‘de norm van vloeiend spreken’ had ik alles geprobeerd om van het stotteren af te komen. Niets hielp. Gesterkt door de wetenschap en zeker ook de inclusiebeweging (waarin stotteren de hekkensluiter lijkt) deed ik de afgelopen jaren alsof het elke dag Wereldstotterdag was. Daar heb ik nieuwe (stotterende) vrienden mee gemaakt, maar helaas ook veel mensen mee afgestoten. Vooral behandelaars van de oude stempel die tegen beter weten in (lees: tegen de wetenschap in) handel dreven in de hoop op vloeiend spreken. Ik noemde hun kliek ‘De Stotterindustrie’, wat de relatie er niet beter op maakte. Mijn campagne voor ‘het recht om te stotteren’ strandde hier en daar in een strijd tegen het medische model van behandelaren.
Schuld en schaamte
Wat zegt de wetenschap over stotteren? 5 tot 17 procent van de mensen die nu leven doorliep een periode van niet-vloeiend spreken, aldus het Journal of Fluency Disorders. Herstel vindt meestal plaats vóór het zevende jaar. De meeste kinderen groeien er dus overheen. Ook zonder logopedie of stottertherapie. Herstel bij pubers en volwassenen kan, maar is vrij zeldzaam. Bij 0,7 tot 1 procent van de bevolking gaat die periode van niet-vloeiend spreken over in blijvend stotteren (hoewel het ook op latere leeftijd nog kan slijten en zelfs kan verdwijnen). Een kwart procent stottert hevig, zoals ik ook lange tijd. Nu stotter ik veel minder. Ik kan daar verklaringen voor aanvoeren, maar ik wil niet bij de groep horen die beweert het stotteren ‘overwonnen’ te hebben. Dat is niet eerlijk tegenover de mensen die blijven stotteren en vaak meer aan hun spraak hebben gedaan dan degenen bij wie het is weggesleten. Het is bij mij deels weggesleten. Hoe? Aan die verklaringen waag ik mij dus niet. Nu ik minder stotter en meer durf te praten, word ik juist weer vaker op het stotteren gewezen. Ook met dwingende tips dat ik er toch echt wat aan moet doen. In dit spanningsveld neem ik het op voor ‘het recht om te stotteren’ – daarin krijg ik medestanders, maar ook tegenstanders.
Campagne voeren voor die ene procent is geen dankbare taak. Allereerst stuit je op een muur die opgetrokken wordt door therapeuten van de oude stempel. Therapiecentrale StotterFonds, waarin behandelaars de voorlichting doen voor de patiëntenvereniging, verkondigde tot en met 2025 zelfs: “Onze missie is: het probleem stotteren de wereld uit, te beginnen bij Nederland, te beginnen bij de jeugd.” Met die anti-inclusieve zinnen begon zelfs hun beleidsplan. Er zijn ook vooruitstrevende therapeuten, die vooral inzetten op het stottervriendelijk maken van de omgeving (gezin, school, werk). Maar het feit dat stotteren nog steeds wordt gezien als iets dat je moet ‘overwinnen’, dat komt toch echt door ‘zorgverleners’ die handelen in de hoop op vloeiend spreken. ‘Helemaal stoppen met stotteren – Onze methode werkt 100 procent’, lees ik bijvoorbeeld in een Google-advertentie (die bij mij zeer regelmatig wordt getoond vanwege mijn interacties met de zoekmachine). Bij condities als dyslexie zou zo’n advertentie onbestaanbaar zijn, maar bij mensen die stotteren kun je nog alles uithalen.
| Medische desinformatie als advertentie tussen Google-resultaten |
![]() |
| Advertentie van het omstreden ‘Hausdörfer-instituut Voor Natuurlijk Spreken’. Screenshot van Google-resultaten met zoekterm ‘stotteren’ op 21 oktober 2026. Werkgevers en docenten die zich met de beste bedoelingen willen informeren over het stotteren van hun werknemer/leerling, krijgen zo de indruk dat diegene die stottert toch vooral nog eens met zichzelf aan de slag moet. Stotterdiscriminatie en stigmatisering wordt zo gevoed vanuit het behandelveld. Medisch misleidende informatie wordt hier door Google goedgekeurd als advertentie. |
Ik besef dat ik met dit opiniestuk niet voor iedereen kan spreken die stottert. Stotteren is heel persoonlijk. Nergens zo veel discussie als in stotterland. Toen ik twaalf jaar geleden nog een methode volgde waarop ik al mijn hoop (en geld) had ingezet, had ik dit niet kunnen schrijven. Toen moest en zou ik er voor eens en altijd vanaf komen. Ik ging all-in en kwam er gedesillusioneerd uit. Mijn denken over stotteren is ook gevormd door hoe anderen op mij reageren. Als kind bad ik iedere avond tot God, of ik alsjeblieft zonder stotter wakker kon worden. Ik oefende me ook een ongeluk. Ik voelde mij tot ver in de dertig schuldig over het feit dat ik ‘nog steeds’ stotter. Ik schaamde mij ervoor. Als in die periode iemand het had opgenomen voor ‘het recht om te stotteren’ had ik hem of haar voor gek verklaard.
Nu ben ik die gek en voel ik me vrijer dan ooit. Ik maal er niet meer om of ik de ene dag meer dan de andere dag stotter. Dit is de manier waarop ik spreek. Hoe anderen reageren, mag mijn gemoed niet beïnvloeden. Ja, het is makkelijker om dit op te schrijven dan voor te leven. Ik red mij verder wel, als zelfstandig redacteur/uitgever. Ik creëer nu – voor zover mogelijk – mijn eigen arbeidscondities. Maar de stotterende kinderen en twintigers van nu hebben wél docenten en werkgevers nodig die niet zo schrikken van een stotter. Ja, wij hebben wellicht wat extra aandacht nodig, maar niet de zorgelijke blikken van ‘oh, jee, als dat stotteren blijft, dan wordt het niks met hem/haar’. Die blik zet ons stil en isoleert ons in spraakarme functies.
Openbaar stotteren
Nu even praktisch: ken jij iemand die stottert, vraag dan ‘wat zou jij willen doen of worden als je niet zou stotteren’? Ben jij in de positie om die droom dichterbij te brengen, dan help je diegene enorm als je het stotteren wegstreept van je lijstje met kenmerken die iemand ongeschikt maken. Er moet, kortom, meer in het openbaar gestotterd worden. Op tv, zoals Miss Montreal. Maar ook door de rechter, conducteur, makelaar en verpleegkundige. Praatberoepen kunnen doorgaans prima uitgeoefend worden door mensen die stotteren. Isolement is niet alleen slecht voor ons welzijn, ook voor onze spraak. Veel mensen die stotteren willen niets liever dan praten, ook al is dat stotterend. Leg ons niet het zwijgen op.
Steven de Jong is oprichter van De Stotterbond – voor het recht om te stotteren (www.stotterbond.nl) en redacteur-uitgever bij Uitgeverij Durden (www.durden.nl). Eerder schreef hij het boek ‘Gelieve niet te stotteren op onze inclusieve werkvloer’, een onderzoek naar stotterend solliciteren. Bij NPO Radio 1 (luister/kijk hier terug) sprak hij over dat boek en de Kamervragen/kabinetsreacties die daaruit voortkwamen. Op het ISA World Congress for People Who Stutter (Rovaniemi, Finland) presenteerde hij de resultaten.
https://stotterbond.nl/index.php/2026/10/20/in-de-week-van-wereldstotterdag-is-het-boek-gelieve-niet-te-stotteren-op-onze-inclusieve-werkvloer-gratis-te-downloaden/
