De Stotterbond

“Het probleem stotteren de wereld uit.” Zo luidde tot november 2025 de missie van het StotterFonds, de organisatie die de officiële voorlichting doet voor patiëntenvereniging Demosthenes. Op de Geef-geld-pagina smekend: “Helaas is het nog niet zover dat het stotteren de wereld uit is.”

Bedenkelijke en anti-inclusieve teksten waar De Stotterbond op aansloeg. Toen wij erover publiceerden, zijn die – na enig verzet van de woordvoerder – aangepast. Maar hoe kan het dat Demosthenes, dat moet opkomen voor de mensen die stotteren, in dit tijdsgewricht nog zo nadrukkelijk inzet op het medisch model (in plaats van het sociale model, zoals anno nu gebruikelijk is)?

Leden werden verplicht ‘spraakmoeilijkheden op te lossen’
Een deel van het antwoord vinden we in een bijvoegsel van de Nederlandse Staatscourant van woensdag 10 juni 1970 (zie hieronder). We citeren enkele artikelen uit de statuten. Onder ‘doel en middelen’ specifiek artikel 2.1. Daarin staat: “De vereniging stelt zich ten doel stotteraars, die hun spraakmoeilijkheden willen oplossen, te verenigen en hen te steunen in alle activiteiten die hiermee verband houden.”

Dit wil Demosthenes bereiken door “het organiseren en stimuleren van regionale oefengroepen” en “beroepshalve geïnteresseerden in de gelegenheid te stellen samen met haar leden een therapie toe te passen, waarvan na deskundig onderzoek is gebleken dat ze een bijdrage kan leveren tot verbetering van het spreken”.

Logopedist besliste over toelating Demosthenes-leden
Lid worden kon niet zomaar. Merkwaardig is dat een zorgverlener (logopedist) daar zeggenschap over kreeg. We citeren artikel 3.2: “De ballotage-commissie bestaat uit een logopedist(e), de voorzitter van de vereniging en de kontaktpersoon van de oefengroep, waaronder het kandidaat-lid zal vallen.” Dat betekent dus dat er binnen de vereniging actief gewerkt moet worden aan ‘het oplossen van spraakmoeilijkheden’. Tot november 2025 heette dat zelfs ‘stotteren de wereld uit’, eigenlijk een verzwaring nog. Dit werkte het stigma rondom stotteren in de hand.

Werkgevers die hun stotterende werknemers verplichten om aan vloeiender spreken te werken, kunnen zelfs ter verantwoording worden geroepen door het College voor de Rechten van de Mens. Dat een patiëntenvereniging ‘vloeiender spreken’ zélf tot opdracht en missie maakt, is zodoende de wereld op z’n kop. Dat dit anno nu nog steeds door prominenten binnen Demosthenes verdedigd wordt is onbegrijpelijk. Natuurlijk zijn er binnen Demosthenes ook andere geluiden. En ergens is er ook wel erkenning dat Demosthenes de boot heeft gemist, getuige deze bestuursreactie van 8 januari 2026 op LinkedIn: “Door de jaren heen is de samenleving inderdaad flink veranderd, maar rondom stotteren nauwelijks.” De ironie wil dat de samenleving nu inclusiever over stotteren denkt dan de patiëntenvereniging Demosthenes zelf.

We lezen verder, artikel 2.3: “Gewone leden zijn stotteraars die met een therapie, zoals vermeld in artikel 2 sub 3, aan hun stotteren werken.” Artikel 2.4: “Junior-leden zijn stotteraars beneden de leeftijd van 17 jaar, die met een therapie (..) aan hun stotteren werken.”

Demosthenes dient van oudsher beroepsbelangen
Ook werd Demosthenes toen al opengesteld voor “buitengewone leden (..) die beroepshalve belang stellen in het doel en werken der vereniging”. En: “Ereleden (..) die zich bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt ten opzichte van het bestrijden van het stotteren en als zodanig zijn benoemd.” Een gelieerde stichting kreeg zelfs de naam: ‘Stichting ter Bestrijding van Stotteren’. Echt? Ja, echt…

Tegenwoordig slaat Demosthenes online soms een inclusieve toon aan. Dat zijn dan meer slagzinnen of losse kreten. Woorden die haaks staan op de omstreden governance van de organisatie en doorgaans niet in overeenstemming met de officiële voorlichting. Windowdressing dus, om mee te waaien met moderne inzichten. De afgelopen jaren wees Demosthenes meerdere inclusieprojecten (ook ons project ‘Stotterend solliciteren’) af. Wel werden er voorlichtingsfolders geproduceerd waarin deze aansporing werd opgenomen: “Wanneer de werknemer na therapie makkelijker spreekt, komt dit de prestaties in zijn of haar werksituatie ten goede.” Een slotzin luidde: “Wanneer de werknemer na therapie
makkelijker spreekt, komt dit de prestaties in zijn werksituatie ten goede.” Dit voert de druk voor stotterende werknemers juist op, terwijl zij juist gebaat zijn bij een stottervriendelijke werkvloer.

Zolang Demosthenes de eigen geschiedenis niet onderzoekt, nog innig verstrengeld is met het zorgveld en actief therapie promoot, kunnen we die inclusie-PR niet serieus nemen. In het StotterFonds werkt de patiëntenvereniging zelfs statutair samen met de Nederlandse Vereniging voor Stottertherapie (NVST) en geeft zo de voorkeur aan één bepaalde zorgstroming. Daar lekt ook nog PG-subsidie weg richting het beroepsveld (de voorlichting is immers pro-therapie).

Namens en voor wie spreekt Demosthenes?
Het ontbreekt Demosthenes dus aan gezag en legitimiteit om mensen die stotteren goed te vertegenwoordigen. Demosthenes is sterk in ‘lotgenotencontact’, maar ook daar is het de vraag welk doel dat dient: het jaarlijkse StotterEvent (eerder StotterFestival) wordt massaal bezocht door behandelaars (vooral logopedist-stottertherapeuten). Dan voel je je als stotterende bezoeker algauw ‘patiënt’. In ieder geval is dat niet de plaats om op te roepen tot het kritisch volgen van therapeuten. Laat staan om te spreken over ‘de stotterindustrie’ en ‘de handel in de hoop op vloeiend spreken’.

Demosthenes laat zich ook niet zien bij de inspraaktafels van de ministeries in Den Haag. Dat kun je beschouwen als een verzaking van plichten. Maar misschien is het – gezien voornoemde verstrengeling met het zorgveld – maar goed ook. Want stel, Demosthenes zou gaan inspreken in Den Haag, namens wie spreekt de ‘patiëntenvereniging’ dan in? Voor de mensen die stotteren of voor de behandelaars die een volle wachtkamer willen? Die laatste groep schrijft en polijst immers de voorlichting voor Demosthenes.