De Stotterbond

“Lang werd gedacht dat stotteren een psychische oorzaak heeft, veroorzaakt door een emotioneel trauma. Nu weten we dat die stotter-vorm zeldzaam is.”

Aldus schrijft The National Institute on Deafness and Other Communication Disorders, een gezaghebbend Amerikaans overheidsinstituut dat de laatste stand van de wetenschap weergeeft: https://www.nidcd.nih.gov/health/stuttering

Het NIDCD maakt onderscheid tussen ‘ontwikkelingsstotteren’ en ‘neurogeen stotteren’. Ook neurogeen stotteren is uiterst zeldzaam: dit kan optreden na een beroerte of hoofdletsel. De meest voorkomende stotter-vorm is ‘ontwikkelingsstotteren’ (99 procent volgens een andere bron).

NIDCD-definitie van ontwikkelingsstotteren:
🧑‍🎓 “Ontwikkelingsstotteren komt voor bij jonge kinderen terwijl zij nog bezig zijn met het leren van taal en spreken. Sommige wetenschappers denken dat ontwikkelingsstotteren ontstaat als spraak- en taalvaardigheden (tijdelijk) onvoldoende zijn om te voldoen aan de verbale eisen die het kind aan zichzelf stelt. De meeste wetenschappers/clinici zijn echter van mening dat ontwikkelingsstotteren voortkomt uit complexe interacties tussen meerdere factoren.”

🧑‍🎓 “Recent hersenbeeldvormend onderzoek toont consistente verschillen aan tussen mensen die stotteren en leeftijdsgenoten die niet stotteren. Ontwikkelingsstotteren komt ook vaker voor binnen families, en onderzoek laat zien dat genetische factoren bijdragen aan deze stotter-vorm. NIDCD-onderzoekers hebben vier verschillende genen geïdentificeerd waarvan mutaties in verband worden gebracht met stotteren.”

Het instituut bespreekt verder een aantal behandelingen, maar stelt ook: “Stotteren is op dit moment niet te genezen.” Het kan wel minder worden naarmate de leeftijd vordert, of zelfs (tijdelijk of altijd) verdwijnen.

Opvallend zijn de tips aan ouders:
💡 “Zorg voor een ontspannen thuissituatie waar het kind ruime gelegenheid krijgt om te spreken. Maak tijd vrij om met elkaar te praten, vooral als het kind enthousiast is en veel te vertellen heeft.”

💡 “Luister aandachtig als het kind spreekt en richt je op de inhoud, in plaats van de uitspraak. Spreek zelf in een iets rustiger en ontspannen tempo. Dit kan helpen om de tijdsdruk die het kind mogelijk ervaart te verminderen.”

💡”Wacht tot het kind het bedoelde zelf uitspreekt. Maak de zinnen van het kind niet af. Help het kind te leren dat iemand ook succesvol kan communiceren mét stotteren.”

💡 “Praat open en eerlijk met het kind over stotteren als hij of zij het onderwerp ter sprake brengt. Laat het kind weten dat het oké is als er af en toe onderbrekingen in het spreken zijn.”

Dat zijn geen loze adviezen. Het NIDCD is zich zeer bewust van de psychische en sociale impact van negatieve reacties van toehoorders. De ontwikkeling van schaamte voor het stotteren, het schuldgevoel dat het stotteren blijft… Dáár zit het verlies in kwaliteit van leven. En dáár is dus ook winst te behalen – niet in het scheppen van valse verwachtingen over genezing.

Hoe vaak komt het voor, bij wie en wat is de kans dat het verdwijnt? Het NIDCD:

“Stotteren komt voor bij mensen van alle leeftijden. Het treedt het vaakst op bij kinderen tussen de 2 en 6 jaar, wanneer zij hun taalvaardigheden ontwikkelen. Ongeveer 5 tot 10 procent van alle kinderen stottert gedurende een bepaalde periode in hun leven, variërend van enkele weken tot meerdere jaren.”

“Jongens stotteren twee tot drie keer zo vaak als meisjes, en naarmate zij ouder worden neemt dit verschil verder toe; het aantal jongens dat blijft stotteren is drie tot vier keer zo groot als het aantal meisjes. De meeste kinderen groeien over stotteren heen. Ongeveer 75 procent van de kinderen herstelt van stotteren. Voor de overige 25 procent die blijft stotteren, kan stotteren aanhouden als een levenslange communicatiestoornis.”

Lees het gehele artikel over stotteren op de website van The National Institute on Deafness and Other Communication Disorders (NIDCD), een onderdeel van The National Institutes of Health en het Amerikaanse ministerie van Volksgezondheid en Sociale Zaken: https://www.nidcd.nih.gov/health/stuttering