“Wat ik me van mijn stotteren het duidelijkst herinner, is niet het haperend geluid van mijn stem, maar de ongeduldige uitdrukking op andermans gezicht, wanneer ik moeite had uit mijn woorden te komen”, schrijft Gerald Jonas in zijn boek ๐ฆ๐๐๐๐๐ฒ๐ฟ๐ถ๐ป๐ด: ๐ง๐ต๐ฒ ๐๐ถ๐๐ผ๐ฟ๐ฑ๐ฒ๐ฟ ๐ผ๐ณ ๐ ๐ฎ๐ป๐ ๐ง๐ต๐ฒ๐ผ๐ฟ๐ถ๐ฒ๐ (Farrar, Straus and Giroux, 1977).
“Weerspiegelden hun ogen toevallig iets van mijn ellende en frustratie, dan gaf me dat een nog onbehaaglijker gevoel. Er was niets wat ze konden doen om mij te helpen en hun medelijden wenste ik absoluut niet. Ik was toen negen of tien.”
“Zoals de meeste mensen die stotteren, had ik al geleerd me te behelpen met handigheidjes, die niet zouden opkomen bij iemand die normaal vloeiend spreekt. Zodra ik mijn mond opendeed, keek ik in gedachten al vooruit op de zin die ik wilde zeggen, om te zien of er een woord bij was dat me aan het stotteren zou brengen.”
We lezen later verder in dit boek, vertaald door Tine Pollmann-Vroom (‘Stotteren: de wanorde der vele theorieรซn’). Een interessant werk dat ook verhaalt over de misvattingen die in de loop der eeuwen de ronde deden.
Dit fragment is in ieder geval al veelzeggend: wie opgroeit met een stotter is al gauw overgeleverd aan de goed- of afkeuring van de toehoorder. Afhankelijk van de hevigheid van het stotteren en de gevoeligheid van het stotterende kind voor afwijzing, kan dat diepe sporen trekken in een leven.
Het is belangrijk om het daar over te hebben. Dat kan hier, in een openbare discussie. Maar ook anoniem: in een e-mail naar steven@stotterbond.nl. We leren graag van ervaringsverhalen die nog niet opgeschreven zijn. Dank.
