De Stotterbond

“Ik zit liever niet met de rug naar de mensen toe”, zegt voormalig Vitesse-speler Martin Laamers in zijn biografie O-o-o-Oranje. “Vanwege mijn stotteren. Ik moet altijd alles en iedereen kunnen zien. Vroeger dacht ik dat de hele wereld het over mij had. Dat mensen zeiden: dat is die gozer die zo stottert. Daarom wil ik zo zitten dat er letterlijk niemand achter mijn rug om praat.”

De argeloze lezer zal denken: ah, stotteren is dus gewoon een uiting van een angststoornis. Maar die theorie is wankel, want veel mensen die stotteren praten juist graag (ook Laamers) en hebben juist sociale moed ontwikkeld. Hoewel: negatieve reacties kun je ook internaliseren, dus zwart-wit is het niet.

Waarschijnlijk zit de volgende theorie veel dichter op de werkelijkheid: vanwege onze neurologie, onze aanleg tot stotteren, is ons spraakcentrum sneller ontregeld door invloeden van buitenaf. Martin Laamers zegt ook tegen zijn biograaf Remco Kock: “Vroeger had ik ook langs jou heen gekeken. In ieder geval niet recht in de ogen, want als ik je aankeek, kwam er geen woord uit. Oogcontact tijdens het praten, dan raakte ik de kluts kwijt.”

Een veelzeggend fragment dat veel verklaart: het stigma dat wij onszelf ‘psychisch niet de baas zijn’ en dat wij stotteren vanwege spreekangst. Want in ons eentje kunnen we meestal wel helemaal vloeiend spreken…

Ja, dat ’talk-alone-effect’ maakt het allemaal nog complexer. Maar ook hier kan de theorie gelden dat onze spraak gewoon veel sneller ontregeld is door externe invloeden. Dat betekent dus niet dat wij emotioneel instabieler zijn.

——-
In de aanloop naar #Wereldstotterdag (22 oktober) lezen wij in de inspirerende biografie over Martin Laamers, geschreven door voetbaljournalist Remco Kock. Een boek, getiteld O-o-o-Oranje, dat gelezen moet worden om te begrijpen hoe het is om te stotteren.